Nieuwsbrief 04/2008        
           
 

April 2008

Helene Kröller Müller koopt op één dag zeven Van Gogh-schilderijen

Vincent van Gogh bezoekt het nieuwe Rijksmuseum in Amsterdam

Stuur deze nieuwsbrief door naar iemand anders!
Klik hier!

 

U ontvangt deze nieuwsbrief geheel gratis en zonder verdere verplichtingen omdat u zich via onze website heeft opgegeven. Wilt u geen nieuwsbrieven meer ontvangen, klik dan hier.

    Helene Kröller Müller koopt op één dag zeven
Van Gogh-schilderijen

Helene Kröller Müller kocht in het begin van de twintigste eeuw, gedurende een periode van 20 jaar, bijna negentig schilderijen van Vincent van Gogh; de grootste verzameling ter wereld buiten die van de familie van Gogh. In 1935 werd de gehele collectie overgedragen aan de Staat der Nederlanden die zich daarbij verplichtte tot het bouwen van een museum, het huidige Kröller Müller museum te Otterlo.

Helene Kröller-Müller had de beschikking over bijna onbeperkte aankoopbudgetten. Haar vader was de oprichter van Wm. H. Müller & Co, een Duitse handelsfirma in mijnbouw- en hoogovenproducten. Haar man, Anton Kröller was samen met zijn broer Willem Kröller, werknemer van het eerste uur bij de Rotterdamse vestiging. Als Willem Kröller in 1881 100.000 gulden wint in een Belgische loterij, gebruikt hij dit geld om zich in te kopen bij Wm. H. Müller & Co. Hij wordt mededirecteur. Anton wordt procuratiehouder.

Willem moet het bedrijf door psychische problemen echter al spoedig de rug toekeren. Anton trouwt in 1888 met Helene Müller en wordt na de dood van Helene’s vader in 1889 enig directeur van het bedrijf. Het bedrijf maakt onder zijn leiding in korte tijd een grote groei en bloei door.

Helene Kröller-Müller vindt een zinvolle levensvervulling “in de kunst”. In 1908 neemt ze voor een aantal dagen per week de bekende ‘kunstpedagoog’ H.P. Bremmer in dienst. Vanaf dat moment begint ze een grote kunstcollectie aan te leggen van “vernieuwende” kunstenaars als Seurat, Signac, Picasso, Braque, Mondriaan, maar de belangrijkste kunstenaar voor haar is vooral Vincent van Gogh. Ze reist regelmatig af naar Parijs om bij verschillende kunsthandels, “vergeten” en nieuw opgedoken werken van Van Gogh te kopen.

Op 13 april 1912 schrijft ze vanaf haar hotelkamer: Nog gisteren avond gingen wij al wandelende, al bewonderende op ons eigenlijke doel af: de schilderijen van Van Gogh. En wat wilde het toeval? Wij vonden, wat wij nooit hadden kunnen verwachten: La Berceuse” . Ze koopt die dag, samen met haar man, in de ochtenduren vijf schilderijen bij kunsthandelaar Eugène Druet (Afbeeldingen 1 t/m 5), waarbij nog een derde van de vraagprijs kan worden afgedongen. Kort na de lunch worden bij kunsthandel Bernheim-Jeune nog eens twee Van Goghs, waaronder La Berceuse, gekocht ( Afbeeldingen 6 en 7). In totaal wordt er ruim 60.000 gulden uitgegeven.

Deze grote aankoop doet haar terugdenken aan de beslissing die ze enkele jaren geleden genomen had om haar man te laten delen in haar kunstinteresse. Ze schrijft aan haar persoonlijke secretaris: Is het dan niet een grote bevrediging als heden met blijdschap Mijnheer voor 60.000 gulden schilderijen koopt?

Bronnen:
1. Jos ten Berge e.a., De schilderijen van Vincent van Gogh in de collectie van het Kröller-Müller Museum, Otterlo 2003.
2. Hans den Hartog Jager, Kröller-Müller Museum, Otterlo 2008.


Vincent van Gogh bezoekt het nieuwe Rijksmuseum in Amsterdam

In oktober 1885 schreef Vincent van Gogh aan zijn broer Theo: “Ge schrijft over de Poussins in de Louvre, doch wat is het lang – al te lang – geleden dat ik die schilderijen zag. Wat dat betreft, ik heb eene behoefte om schilderijen te zien. Deze week ga ik een dag naar ’t museum in Amsterdam met een kennis van me”. Vincent van Gogh vertrok op dinsdag 6 oktober om 6.34 per trein vanuit Noord-Tongelren (bij Eindhoven) naar Amsterdam om er, uiteindelijk gedurende drie dagen, elke dag, het nieuwe Rijksmuseum te bezoeken.

Op de tweede dag had hij afgesproken met een kennis, Anton Kerssemakers, uit Eindhoven. Ze hadden een afspraak in de wachtkamer derde klas van het Centraal Station. Kerssemakers zag Vincent van Gogh, in alle drukte aan de voorkant van de wachtkamer bij de ramen staan: “doodbedaard in zijn harigen ulster en met zijn onafscheidelijke pelsmuts op, ijverig bezig een paar kleine stadsgezichten af te maken”. Vincent van Gogh schilderde hier op een houten plankje het Gezicht op het Singel (Afbeelding 1). Een dag later schilderde hij De Ruijterkade (Afbeelding 2).

Van Gogh zelf zegt hierover: “De twee plankjes die ik in Amsterdam schilderde, zijn in vliegende haast gedaan; ’t één nota bene in de wachtkamer van het station, toen ik wat te vroeg voor den trein was”. Vincent van Gogh was onder de indruk geraakt door de schilderijen van de oude Hollandse meesters in het Rijksmuseum. “Zij zijn meestal snel geschilderd” en “Ik heb de handen bewonderd van vooral Rembrandt en Hals – handen die leefden, maar die niet af waren in de zin, die men tegenwoordig met forceeren wil”.

Hij probeerde in deze twee paneeltjes zijn opgedane ervaringen direct in de praktijk te brengen. Dus snel schilderen: “de premier coup”, als een eerste onmiddellijke reactie en er later nauwelijks op terugkomen. Hij nam de twee plankjes mee terug naar Nuenen en stuurde ze, behoorlijk beschadigd op naar zijn broer Theo in Parijs ter illustratie voor zijn nieuwe, en latere kenmerkende, snelle werkwijze.

“De twee schetsjes van Amsterdam zijn tot mijn spijt nogal beschadigd. Op reis waren zij nat geworden, toen zijn de paneeltjes krom getrokken bij ’t drogen en is er stof in gaan zitten etc. Toch stuur ik ze om U te laten zien, dat als ik in een uur tijd ergens een impressie er op wil smeren, ik dit begin te kunnen in ’t zelfde sentiment van anderen, die hun impressies analyseren”.

Bronnen:
1. J. van Gogh-Bonger, Verzamelde brieven van Vincent van Gogh. Brieven 425, 426, 427, Amsterdam/Antwerpen 1953.
2. Reindert Groot / Teio Meedendorp, Vincent van Gogh over Amsterdam, Bussum 2003.
3. Jan Hulsker, Van Gogh en zijn weg, Amsterdam 1989.
4. Louis van Tilborgh / Marije Vellekoop, Vincent van Gogh schilderijen 1881-1885, Amsterdam/Blaricum 1999.