Nieuwsbrief 12/2007        
           
 

December 2007

Jaartelling Ab Urbe Condita (AUC) en Anno Domini (AD)

Rembrandt's meesterwerk Jan Six te zien in Mauritshuis

Stuur deze nieuwsbrief door naar iemand anders!
Klik hier!

 

U ontvangt deze nieuwsbrief geheel gratis en zonder verdere verplichtingen omdat u zich via onze website heeft opgegeven. Wilt u geen nieuwsbrieven meer ontvangen, klik dan hier.

    Jaartelling Ab Urbe Condita (AUC) en Anno Domini (AD)

De beroemdste dateringtraditie uit de oudheid was die vanaf de stichting van de stad Rome: Ab Urbe Condita (Latijn voor Vanaf de Stichting van de Stad) afgekort tot AUC. Deze jaartelling telt de kalenderjaren vanaf de stichting van Rome. Volgens de overlevering vond ze plaats op 21 april 753 v. Chr.
De oorspronkelijke AUC-jaartelling was gebaseerd op een maankalender en kende slechts tien maanden. De eerste maand was Martius ( = maart) en de laatste maand Decembris (decem = tien)¹. Omdat de seizoenen steeds meer uit de pas liepen met de jaren, werden er allerlei uitwegen gevonden om het probleem op te lossen. Zoals de toevoeging van extra schrikkeldagen, -weken en -maanden.

Julius Caesar stelde in 46 v. Chr (708 AUC) orde op zaken. Het doel van zijn kalender was om ervoor te zorgen dat het begin van de lente zoveel mogelijk op dezelfde datum, 22 of 23 maart, zou vallen. Daartoe werd een kalender opgezet met een jaarlengte van 365 dagen. In het schrikkeljaar werd een extra dag, een schrikkeldag, 29 februari ingevoerd.2 Met twee extra maanden (Januaris en Februaris) verlengde hij in 46 v. Chr het ultimus annus confusionis (het laatste jaar van de verwarring) tot 455 dagen. Bovendien liet hij het nieuwe jaar 709 niet beginnen in maart, maar in januari. 1 Ianuaris zou zo samenvallen met het begin van de winter. Merkwaardig genoeg bleef men de schrikkeldag die nodig was om de fijnafstelling op het zonnejaar te herstellen, eind februari toevoegen (voordat het oude nieuwe jaar begon op 1 maart). De maand Quintilis (geboortemaand van Julius Caesar) werd veranderd in Iulius. De naam van de maand Sextilis werd later veranderd in Augustus ter ere van keizer Augustus.

De huidige christelijke jaartelling (Anno Domini) werd in 525 na Chr. door Paus Johannes I geïntroduceerd, omdat hij door de christenenvervolgingen onder keizer Diocletianus af wilde van de AUC-jaartelling. De daadwerkelijke ingebruikneming van de Christelijke (Anno Domini) jaartelling was echter pas in 800 n. Chr.³ Beide jaartellingen (AUC en AD) bleven naast elkaar bestaan maar na de val van het Romeinse rijk raakte de AUC-jaartelling in ongebruik.

Bronnen:
1. www.morgenster.org
2. www.wikipedia.nl

¹ De oude romeinse jaartelling begon op 1 martius (1 maart). Daarna volgden de maanden Aprilis, Maius, Iunius, Quintilis (Quint = de vijfde maand), Sextilis (Sext = zesde maand), Septembris (septem = zevende maand), Octobris (Octo = achtste maand), Novembris (Novem = Negende maand) en Decembris (decem = Tiende maand).
² Dit was niet nauwkeurig genoeg, want het verschil in tijd tussen twee opeenvolgende lentepunten bedraagt 365,2422 dagen, het tropische jaar. Dit probleem werd pas gecorrigeerd door paus Gregorius XIII bij de invoering van de Gregoriaanse kalender in 1582. Het tropische jaar is dus de tijdspanne van 4 seizoenen en die tijdsduur wordt door alle culturen als een jaar ervaren. Die tijd is echter net een stukje korter dan de tijd die de aarde nodig heeft om haar baan om de zon te voltooien.
³ De geboorte van Christus werd op het eind van het jaar 752 AUC vastgesteld. Dat jaartal werd overigens niet het jaar 0 zoals velen abusievelijk aannemen, maar het jaar 1 vóór Christus. Het jaar daarop is het jaar 1 na Christus, oftewel 1 AD. Er bestaat dus geen jaar 0.


Rembrandt’s meesterwerk Portret van Jan Six te zien in Mauritshuis

Tot en met 13 januari 2008 is het schilderij Portret van Jan Six van Rembrandt (Afbeelding 1) te zien in het Mauritshuis te Den Haag.



Afbeelding 1. Portret van Jan Six, 1654, Collectie Six.

Dit portret uit 1654 is afkomstig uit de collectie van de familie Six en wordt in principe nooit uitgeleend. De familie Six bezit een grote collectie schilderijen waartoe ooit ook Het Straatje en Het Melkmeisje van Vermeer behoorden.
Jan Six (1618-1700) was de jongste zoon¹ van een rijke familie in laken- en zijdeverfindustrie. De inkomsten uit het bedrijf en uit investeringen in onroerend goed maakten de familie Six een van de meest vermogende Amsterdamse families. Jan Six was niet actief in het familiebedrijf maar verzamelde veel kunst en antiek. Tevens steunde hij kunstenaars door hen opdrachten te geven. Rembrandt en Jan Six woonden bij elkaar in de buurt en kenden elkaar goed. In 1641 schilderde Rembrandt een portret van Six’ moeder (ook in de Collectie Six) en in 1652 kocht Six drie schilderijen van Rembrandt.

In 1655 trouwde Jan Six met de dochter van de arts Nicolaes Tulp, die bekend is van een ander wereldberoemd schilderij van Rembrandt De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp uit 1632 (overigens ook te zien in het Mauritshuis). Vanaf 1656 was Six lid van de Amsterdamse stadsraad en in 1691 werd hij benoemd tot burgemeester van Amsterdam.

Rembrandt vereeuwigde zijn vriend Jan Six bij het aantrekken van zijn handschoenen. Het bijzondere van de Jan Six is de losse, ‘ruwe’ en impressionistische schilderwijze van vooral de handen, handschoenen, manchetten en gouden tressen (Afbeelding 2). Een ander voorbeeld van deze `ruwe’ schilderwijze is te zien op Rembrandt’s Badende Vrouw. Dit schilderij bevindt zich in de National Gallery te Londen (Afbeelding 3).



Afbeeldingen 2 en 3. Detailopname Portret van Jan Six en Badende Vrouw.

Rembrandt begon zijn schilderscarrière als fijnschilder. Hij was ooit één van de grondleggers van de zogenaamde Leidse fijnschilders school die ‘met engelengeduld en mierenvlijt’, de weergave van de dingen tot in uiterste perfectie nastreefden maar eindigde als schilder in de zogenaamde ‘ruwe manier’.
Schilderijen op de ‘ruwe manier’ gemaakt, moesten op een afstand bekeken worden. Van dichtbij zag men slechts vlekken, die van verre gezien versmolten tot een werkelijkheidsweergave die overtuigender kon zijn dan die in fijn doorwerkt schilderij. Rembrandt vond zelf dat zijn schilderijen zo gehangen moesten worden ‘dat men daer wijt ken afstaen’. Rembrandt ‘trok de menschen, als zy op zyn schilderkamer kwamen, en zyn werk van digteby wilden bekyken, te rug, zeggende: de reuk van de verf zou u verveelen [hinderen]’.

Bronnen:
1. Wieteke van Zeil. Een polaroid uit de gouden eeuw. NRC, 11-10-2007.
2. Ernst van de Wetering. Rembrandts schilderwijze: techniek in dienst van illusie. Rembrandt. De Meester & zijn werkplaats. Schilderijen. Uitgave van Rijksmuseum Amsterdam 1991.
3. www.mauritshuis.nl. Hollanders in beeld. Portretten uit de gouden eeuw.

¹ Alle oudste zonen werden sindsdien Jan Six genoemd. Op dit moment is de jongst levende Jan Six de XI, hoofd van de afdeling oude meesters bij Sotheby’s.